Amerikanen
Complottheorieën
Amerikanen
April 2001
Ringlaan, Hasselt
Zoals hij gevraagd had, was ik wat dieper ingegaan op dat dossier. Ik vertelde hoe volgens mij de vork aan de steel zat. Hoe de curator alles had opgesomd. We hadden foto’s van die catalogus vol draden en stekkers en wat er aan hing meegebracht. Van Berloo hing zijn jas aan de haak op de achterkant van de deur en zette zich aan zijn bureau terwijl ik heen en weer liep.
“De theorie is eenvoudig,” zei ik tegen Van Berloo. Hij begon mijn stukken te lezen. “Het paradigma is veranderd. Zo noemen ze dat tegenwoordig: It’s the new normal. Nieuwe technologieën zorgen voor een andere strategie en een andere oorlog. Die mensen denken enkel in termen van oorlog. Een atoombom betekent een verstoring van de krachten. Een klein land met atoombommen is zo sterk als een groot land. Dat is simpel. Dus dat moet vermeden worden.”
Hij keek eens op: “Wie zijn ‘die mensen’? Gaat dit ergens naar toe, Carol?”
“Computers en digitale communicatie, zorgen voor snellere, beter kennis van de feiten en de situatie. Op papier althans, in werkelijkheid moet bekeken worden of het ook op het terrein zo is. Dus je moet dat in praktijk brengen. Dat is wat die man organiseerde.”
Van Berloo hoestte en ging terug naar mijn stukken.
“Wat is dat hier met die varkens en runderen die niet geschikt zijn voor consumptie? Moet dat niet meer naar voor? De halve veestapel is verdacht,” zei hij, “misschien moet je morgen eens naar die vetsmelterijen?”
“Ik eet geen vlees. Karma.”, zei ik, “Die terreinonderzoeken, alle materiaal moet op verschillende manieren getest worden. Allereerst moet bekeken worden of die dingen uberhaupt wel doen wat ze moeten doen. Kan je met een GPS echt je positie bepalen? Kan je realtime video doorsturen als je aan het front zit? Lukt dat ook voor honderden verschillende teams, eskadrons of hoe heet dat? Kunnen we iedereen horen en zien, is die stroom aan gegevens beheersbaar? Kunnen we reageren op noodsituaties en F16’s of special forces sturen om vanuit de lucht steun te bieden aan die grondtroepen. Alle materiaal moet in echte omstandigheden getest worden. Wargames. Dan moeten we nagaan of het robuust is. Of het tegen een stootje kan, ook in oorlogsomstandigheden. In dit geval is dat de Balkan. De Balkan was voor die mensen een oefenterrein: a theater. Een kleine oorlog, juist groot genoeg om te doen alsof. Ze porren de vijand al eens, ze beschieten de Chinese ambassade, Al Jazeera, een beetje kloten, zo. De echte strijd moet nog komen; dat wordt de slag tegen de Chinezen of de Russen of India, in elk geval iets voor later. Tot dan moeten we oefenen, zodat we klaar staan. Ze gaan ervan uit dat het een asymetrische oorlog wordt. Zij zijn groot, sterk en log; de tegenstander klein, verborgen, en glad als een aal die ze achter de kieuwen moeten grijpen, levend villen.”
Van Berloo keek op, schudde zijn hoofd en ging terug naar de teksten. Hij zette ergens een vraagteken bij.
“Daarom zijn het wargames tegen verarmde en verzwakte naties. Die kan je makkelijk vinden, ze staan onderaan op de lijsten van The Economist: Afghanistan, Mali of Irak nà de sancties. Wie weet welke landen er gaan volgen: Libië misschien, of Jemen. Dit is klein bier. Dit zijn oefeningen, trainingen, demonstraties, spierballengerol.”
Van Berloo zei: “Hou op Carol, dat interesseert niemand. Je schildert jezelf in een hoekje. Hij legde het dioxine-stuk voor mij neer. Waar wij moeten mee bezig zijn: hoeveel van dat spul krijgt een Limburgse huismoeder en haar kinderen binnnen. Is hier nergens een professor of zo die daar wat zinnigs kan over zeggen? Leg uit wat dat is, dat goedje: dioxine? Dat is kankerverwekkend, in feite agent orange. Zoals in Vietnam, rinkelt er een belletje?”
“Maar dit is toch nieuws? Dat is wat we hier zien, die Anthony verzamelt al dat elektronisch materiaal en dan brengt hij het via Zutendaal naar het zuiden of het oosten of naar waar hij wil testen. Zutendaal is trouwens nu nog altijd een testcentrum voor NATO-materiaal, wist jij dat?”
Hij keek even op en mompelde, “Nee, dat wist ik niet.” Hij veranderde zijn toon, en zei veel kalmer: “Ga verder.”
“Tegelijkertijd organiseert hij ook de dispatch van materiaal dat binnenkomt en verder door moet. Wapens naar rebellen, opstandelingen, knechtjes die onrust stoken en oproerkraaiers. Hij doet daarmee ook betalingen in natura aan regimes die onder embargo staan, zoals het olie-voor-eten-programma voor Irak, Libië. Vijanden te vriend houden, zoiets. Ook voor terroristen die ons helpen. Dat zijn de low-intensity activities; beetje tegen de schenen stampen van de Russen, de Chinezen, de Indiërs, in de grensstreken wat rumoer maken, Tjetjenen, Kasjmir, de Oeigoeren. De Koerden voor je kar spannen. Bezigheidstherapie voor de lokale regeringen. Soms om hen te helpen, soms om hen omver te werpen. Altijd om onze superioriteit -die van de NATO- te onderstrepen. Om de Russen te verslaan.”
Die Van Berloo die kon multi-tasken als een vrouw.
“Allemaal in zijn eentje. Dat heb jij op een halve dag gecheckt en gedubbelcheckt? Heb je dat on the record? Is die man een bron of bazel jij wat.”
“Nee, niet in zijn eentje. Hij heeft een eskadron onder zich. Dat konden ze zien op die video’s van Shurgard. Dat zegt die curator, die doet enkel handelsrecht. Met andere woorden hij wil er niks mee te maken hebben. Ik heb met de rechtbank van Tongeren gebeld, die spelen breedsmoelkikker. Volgens hen is er niks, helemaal niks, maar dan ook helemaal niks vreemds aan deze zaak.”
“Curiouser en curiouser, zei Alice,” antwoordde hij; “Je zit er helemaal naast.”